|
|
Wanneer en waar de eigenlijke ontwikkeling
van vuurwapens begon, weet men niet precies. Bekend is wel, dat de
Chinezen reeds in de elfde eeuw de samenstelling van wat wij het
buskruit noemen, kenden. Dit kruit werd door de Chinezen als
grondstof gebruikt voor het hun zo zeer geliefde vuurwerk.
Hoe de kennis betreffende het kruitmengsel en de juiste hoeveelheden
van de samenstellende bestanddelen in Europa terecht gekomen is, is
ook nu nog een open vraag.
Sommigen menen dat de formule via de Arabieren, die vroeger enge
handelsbetrekkingen met China hadden, in Europa terecht is gekomen.
Anderen menen dat het buskruit in Europa herontdekt is.
In dit verband worden namen genoemd als Roger Bacon en Berthold
Schwarts, de monnik uit Freiburg. Vooral deze laatste heeft de
meeste publiciteit gekregen, vandaar dan ook de naam Schwartspulver
(vrij vertaald "zwartkruit"). Dat zwartkruit toevallig zwart is
heeft dus niets met de kleur ervan te maken.
De algemene samenstelling van het zwartkruit is 75% salpeter, 15%
zwavel en 10% houtskool.
Op het moment dat iemand ontdekte, dat met behulp van dit kruit
projectielen vanuit een aan een kant dichtgemaakte buis konden
worden verschoten, was de kiem voor de vuurwapenontwikkeling gelegd.
Het grondprincipe van de vuurwapentechniek is tot op heden in feite
nog steeds hetzelfde gebleven.
In het begin was deze techniek zeer primitief. Men maakte een
ijzeren koker die aan een kant geheel dicht was. Vervolgens werd er
aan de gesloten kant een klein gaatje vanuit de zijkant naar de
holruimte van de koker gemaakt. Dit werd het zundgat genoemd.
Het buskruit werd via de grote opening in de koker aangebracht en
daar op de bodem flink aangestampt. Vervolgens werd het projectiel,
dat eerst van ijzer of steen was maar later van lood, via dezelfde
opening op het aangestampte kruit gedrukt. Zodra nu het projectiel
(meestal in de vorm van een bal en daarom dan ook kogel genoemd) was
aangedrukt, was het wapen schietklaar. Maar om de kogel te kunnen
afschieten moest eerst het kruit ontstoken worden en daarvoor had
men dus een vuurbron nodig. In het begin waren dat gloeiende sintels
of brandend hout.
Later werden de sintels en het brandend hout vervangen door een lont
dat langzaam bleef smeulen zodra het aangestoken was.
Het zundgat werd in de regel gevuld met zeer fijn gemalen kruit.
Door nu het lont door middel van een scharnierende hefboom bij dit
fijn gemalen kruit te brengen, begon dit kruit te branden en stak op
haar beurt de kruitlading in de koker aan.
De gasontwikkeling vond zo snel plaats en de gassen kregen zulk een
hoge druk dat de kogel door de koker heen naar buiten werd gedreven
langs dezelfde weg zoals hij er ook in gekomen was, echter nu met
een zeer grote snelheid en dit had tot gevolg dat de kogel, eenmaal
uit de koker (loop) gedreven, zijn weg in de vrije lucht nog een
heel eind voortzette.
Botste de kogel tijdens zijn vlucht tegen een voorwerp aan dan gaf
hij hieraan meteen zijn hele nog resterende energie af.
Was dat voorwerp toevallig een mens of dier dan kon die resterende
energie afgave zo groot zijn dat de betreffende mens of het dier
deze "botsing" niet overleefde.
Daar het lont nog steeds een open vuur was, werd meer gezocht naar
iets beters en dat werd dan een vuursteenontsteking. De vuursteen
werd in de bek van een soort hamer geklemd. Deze hamer, haan
genoemd, was zijdelings van het wapen aangebracht en kon tegen de
veerdruk in, naar achteren gehaald en in deze stand gearreteerd
(vastgezet) worden. Bij het overhalen van de trekker sloeg de
vuursteen tegen een ijzeren plaat die zich in de directe nabijheid
van het zundgat bevond. De geproduceerde vonken deden het kruit in
het zundgat ontbranden.
Omdat deze vonken niet altijd bij de eerste keer sterk genoeg waren
om het kruit te ontsteken, zocht men naar een beter systeem; het
radslot werd uitgevonden.
Het radslot is een metalen schijf in combinatie met een spiraalveer,
die met een sleutel opgewonden kon worden en daarna gearreteerd.
Werd de arretering door middel van het overhalen van een trekker
gelost dan draaide de schijf met grote snelheid terug daarbij
herhaaldelijk tegen de vuursteen slaande. Dit produceerde een
vonkenregen die méér dan voldoende was om het zundgatkruit te
ontsteken.
De vuursteenontwikkeling heeft enkele honderden jaren stand
gehouden.
Een ware revolutie kwam pas op gang toen de Schotse geestelijke
Alexander Forsyth het percussie-slaghoedje had uitgevonden, althans
de grondslag daarvan.
Omstreeks 1820 wan men zo ver dat een hoog explosieve chemische
samenstelling had ontwikkeld die men in een klein kapseltje kon
onderbrengen. Deze chemische samenstelling werd slagas genoemd. Door
een flinke klap op het kapseltje te geven kon dit slagas tot
ontploffing gebracht worden. Het probleem met het open vuur was
daarmede verleden tijd geworden.
De kamer (of voor zover al kamer) werd wel nog via de loopmond
geladen met kruit en projectiel, maar het percussie-slaghoedje werd
nu achter op de kamer op een z.g. piston gezet. Deze piston is een
soort aambeeld met zundgat.
Om een stevige slag op het slaghoedje te kunnen geven, werd een
soort als hamer werkende slagmechaniek ontworpen (in de vorm van het
vuursteenslot) dat direct achter de loop werd aangebracht.
Deze hamer (haan) werd tegen een veerdruk in naar achteren gekanteld
en gearreteerd. Door via een hefboom (trekker) deze arretering op te
heffen kon de haan met kracht op het slaghoedje slaan waardoor de
explosieve lading in het slaghoedje explodeerde en daarbij een vlam
produceerde die langs het gat in het aambeeldje de kruitlading in de
kamer in brand stak.
Dit systeem vond lange tijd toepassing op geweren, pistolen en
nadien ook op de modernere 6-schots zwart-kruit revolvers.
De volgende belangrijke stap was de ontwikkeling van de patroon.
Eerst met een huls van papier en later van messing, weden de
componenten projectiel, kruit, slaghoedje en huls in elkaar
gemonteerd tot één eenheid. Deze patronen konden echter niet meer
via de loopmonding worden aangebracht, maar moesten langs achteren
in de kamer aangevoerd worden.
Dit betekende dat de achterkant van de "koker" geopend, maar na het
inbrengen van de patroon, weer zo stevig gesloten moest kunnen
worden dat deze sluiting zonder gevaar van openscheuren of springen
de spanning van de kruitgassen kon opvangen. Tevens moest deze
sluiting vele malen gemakkelijk open en dicht gemaakt kunnen worden.
De oplossing van dit probleem noemt men thans de kamervergrendeling.
De derde belangrijke stap in de wapenontwikkeling was de uitvinding
van het chemisch samengestelde Nitro-kruit. De gasontwikkeling en de
gasdruk was daarmede zeer veel groter geworden.
Hieruit resulteerde onder andere dat er nu ook gemakkelijker een
gedeelte van deze gasdruk gebruikt kon worden om de grendel
automatisch te openen. Dit was het begin van de semi-automatische
wapens, zoals pistolen en machinepistolen.
Alhoewel, zoals reeds gezegd, het grondprincipe: kamer, kruit,
kogel, kruitontsteking en koker (loop) ongewijzigd is gebleven, zijn
er wapentechnisch en ook munitie-technisch enorme ontwikkelingen
geweest. Een ontwikkeling die zich trouwens nog steeds voortzet,
denk maar eens aan electronische ontsteking en hulsloze patronen.
Had men in het begin veel tijd nodig om een vuurwapen schietklaar te
maken en bovendien een droge en liefst windstille omgeving om
überhaupt het kruit te kunnen ontsteken en was de trefzekerheid vaak
meer een kwestie van geluk dan van verstand, nu is men zover dat men
hand-vuurwapens produceert die een vuurkracht van meer dan 600
patronen per minuur hebben en die onder alle weersomstandigheden met
een zeer grote trefzekerheid en betrouwbaarheid gebrukt kunnen
worden, terwijl het omwisselen van de patronenmagazijnen slechts
fracties van seconden vergt.
Men kan thans de licht vuurwapens globaal indelen in handvuurwapens
en schoudervuurwapens. Globaal omdat men tegenwoordig o.a. vele
machinepistolen door b.v. omklappen van de kolf of het uitwisselen
van lopen kan omvormen in schoudervuurwapens en uiteraard omgekeerd.
Handvuurwapens zijn weer onder te verdelen in:
1. Zwartkruitrevolvers, kleinkaliber-randvuurrevolvers,
zwaarkaliber-centraal-vuurrevolvers
2. Kleinkaliber-randvuurpistolen, zwaarkaliber-centraalvuurpistolen
3. Machinepistolen.
De 9 mm para-pistolen behoren tot de
zwaarkaliber-centraalvuurpistolen. Het 9 mm para-kaliber is het
meest gangbare pistoolkaliber ter wereld. Daar 9 mm para praktisch
gelijk is aan het .38 revolverkaliber, ziet men steeds meer .38 of
.357 magnum-revolvers verschijnen waaruit d.m.v. speciale clips ook
9mm para patronen verschoten kunnen worden.
Het Amerikaanse leger is inmiddels ook overgegaan op 9 mm para. Dit
betekent voor dit kaliber een zeer grote overwinning of als u wilt
een zeer grote waardering, vooral omdat Amerikanen van "oudsher"
vastgeroest zaten aan hun .45 kaliber. |
|
|